De regenboogvlag

1786956187032.png


“Weg met die vlag!”
“Het wordt ons door de strot geduwd!”
“Fik hem af!”
“Opzouten met dat woke-gedoe!”
“Ik heb niks tegen LHBT’s, maar ...”

Je hoeft tegenwoordig niet lang op sociale media rond te kijken om dit soort reacties tegen te komen.
Onder een bericht over een regenboogvlag.
Onder een foto van twee mannen die elkaar vasthouden.
Onder een nieuwsbericht over Pride.
Onder een verhaal van een trans persoon.
Soms zelfs onder een bericht waarin alleen maar wordt uitgesproken dat queer mensen veilig moeten kunnen leven.

En wat me zorgen baart, is niet alleen dát die reacties er zijn. Het is vooral hoe gewoon ze aan het worden zijn. Alsof het inmiddels volkomen normaal is om bij het zien van een regenboogvlag meteen te spreken over “propaganda”, “indoctrinatie” of “woke waanzin”. Alsof de zichtbaarheid van queer mensen op zichzelf al een provocatie is.

Maar een regenboogvlag vraagt niemand om homoseksueel, lesbisch, biseksueel, trans of queer te worden.
Ze vraagt niemand om een bepaalde levensbeschouwing over te nemen.
Ze dwingt niemand om Pride te vieren.

Die vlag zegt iets veel eenvoudigers:
wij zijn er.
Wij leven in dezelfde straten.
We werken in dezelfde scholen, ziekenhuizen en bedrijven.
We zitten naast je in de trein.
We zijn je collega, je buurman, je dochter, je broer, je docent, je huisarts, je vriend.
We worden verliefd.
We bouwen relaties op.
We maken ruzie en leggen het weer bij.
We zorgen voor onze ouders.
We maken ons druk om de boodschappen, de hypotheek en wat we vanavond zullen eten.
Kortom: we leiden gewoon menselijke levens.

En toch lijkt juist die zichtbaarheid opnieuw steeds vaker irritatie op te roepen.
“Waarom moet ik dat allemaal zien?”
Maar dat is precies de verkeerde vraag.

Want heteroseksualiteit zien we voortdurend.
In reclames.
In films.
In kinderboeken.
Op trouwfoto’s.
Op straat.
In gesprekken over gezinnen.
In liedjes op de radio.

Niemand noemt het propaganda wanneer een man en een vrouw elkaar op televisie zoenen.
Niemand zegt dat heteroseksualiteit “door de strot wordt geduwd” wanneer een collega vertelt dat hij met zijn vrouw op vakantie is geweest.

Maar zodra twee mannen elkaars hand vasthouden, twee vrouwen samen op een poster staan of ergens een regenboogvlag wappert, wordt zichtbaarheid ineens “activisme”. Dat verschil zou ons te denken moeten geven.

De regenboogvlag is niet ontstaan omdat queer mensen zo graag een eigen vlag wilden hebben. Ze is nodig geworden omdat er een geschiedenis aan voorafgaat van verzwijgen, criminaliseren, behandelen, verstoten, vernederen en vervolgen.En voor veel mensen is dat verleden helemaal niet zo ver weg.

Er zijn nog steeds jongeren die jarenlang proberen niet verliefd te worden op iemand van hetzelfde geslacht. Jongeren die ’s avonds in bed liggen en zich afvragen wat er zal gebeuren als hun ouders erachter komen. Mensen die op hun werk eerst voorzichtig aftasten of ze wel kunnen vertellen met wie ze samenleven. Mannen die onderweg naar huis elkaars hand loslaten omdat een groepje verderop hen aankijkt. Trans personen die nauwelijks een bericht over zichzelf kunnen lezen zonder daaronder honderden opmerkingen tegen te komen waarin hun menselijkheid ter discussie wordt gesteld.
En juist daarom raakt die groeiende vijandigheid op sociale media mij.

Niet omdat iedereen de regenboogvlag mooi moet vinden. Niet omdat iedereen hetzelfde over gender, seksualiteit of Pride moet denken. In een vrije samenleving mogen mensen daar verschillend over denken. Maar er is een verschil tussen kritiek en ontmenselijking. Tussen zeggen dat je ergens moeite mee hebt en roepen dat een vlag moet worden verbrand. Tussen een maatschappelijke discussie voeren en mensen voortdurend duidelijk maken dat hun zichtbaarheid ongewenst is.

Woorden doen ertoe. Zeker wanneer dezelfde woorden honderden en duizenden keren worden herhaald. Dan ontstaat een klimaat. Een klimaat waarin mensen steeds makkelijker zeggen wat enkele jaren geleden nog als ongepast of ronduit homo- of transfobisch zou zijn herkend. Een klimaat waarin de grens steeds een stukje opschuift.

En misschien is dat wel wat mij het meeste zorgen baart.
Niet één boze reactie op een facebookpost. Maar de optelsom. De vanzelfsprekendheid. De hoeveelheid. De toon. Het applaus dat sommige van die reacties krijgen.

Want achter iedere regenboogvlag waar iemand “weg ermee” onder schrijft, staan echte mensen. Daarom blijft die vlag nodig. Voor die jongen die verliefd wordt op jongens en dat nog tegen niemand durft te zeggen. Voor dat meisje dat zich afvraagt of haar familie nog van haar zal houden wanneer ze vertelt dat ze op meisjes valt. Voor de trans persoon die iedere dag opnieuw hoort dat zijn, haar of hun bestaan een “ideologie” zou zijn. Voor de oudere homoseksuele man die nog precies weet hoe het voelde toen homoseksualiteit iets was waarover je maar beter kon zwijgen. Voor de queer vluchteling die voor het eerst ontdekt dat er plekken bestaan waar die niet hoeft te verdwijnen. En ook voor mensen zoals ikzelf. Mensen die dankbaar zijn voor hoeveel er in de afgelopen decennia veranderd is, maar die tegelijkertijd zien dat verworven vrijheid nooit vanzelfsprekend wordt.

De vlag is er niet omdat we iemand iets wil opdringen. Ik omarm de regenboogvlag omdat ik niet wil terugkeren naar een samenleving waarin de veiligste queer persoon de onzichtbare queer persoon is.

Laat die regenboog daarom maar wapperen. Niet als overwinning op anderen. Niet als middelvinger. Niet als verplichting om allemaal hetzelfde te denken.

Maar als teken van iets heel eenvoudigs:
dat een samenleving groot genoeg moet kunnen zijn voor verschillen. Dat niemand zich hoeft te verontschuldigen voor wie die liefheeft of wie die is. Dat niemand onzichtbaar hoeft te worden gemaakt zodat een ander zich comfortabeler kan voelen.En misschien vooral als herinnering dat waardigheid geen gunst is die de meerderheid aan een minderheid verleent.Ze komt ieder mens toe.

Zolang mensen bij het zien van een regenboogvlag nog roepen:
“Weg met die vlag!”
is dat misschien wel het duidelijkste bewijs waarom ze nog altijd moet blijven wapperen.

Tekst: Raymond Hintjes-van Lieverloo